zijn eten

De achterdeur heeft hij open laten staan. De voordeur ook, zie ik later. Hij verwachtte me. Het is half drie. Hij ligt te slapen. Op zijn zij met wat over is van zijn benen, opgetrokken. Nog net niet in de foetushouding. Een bijna gehalveerd lichaam maar nog steeds mijn vader. Ik maak hem niet wakker en wacht. Wanneer hij na een half uur ontwaakt en op zijn rolstoel is gekropen, is hij humeurig. En ik herinner me de zondagen uit mijn jeugd: een dutje na warm middageten lijkt onvermijdelijk maar valt altijd slecht. Na zijn tweede kop koffie wordt hij spraakzamer. Ik moet de haring proeven die hij heeft schoongemaakt. Of ik alleen naar Kustdorp gekomen ben. Ik jok van wel. Zoon en Dochter gaan  deze moeilijke ontmoetingen  uit de weg. Nog wel. Ik laat ze. Hij is nog niet buiten geweest vandaag en ik stel voor om een stukje te gaan wandelen. Hij in zijn scootmobiel en ik op eigen kracht. Halverwege de wandeling scheiden onze wegen zich. Hij pakt nog een rondje ‘wurft’. Ik druk mijn wang tegen de zijne. Het afscheid moet altijd luchtig lijken. Hij knikt onzichtbaar en rijdt verder zonder omkijken. In de tas zit een makreel en een pond door hem gepelde garnalen. De liefde van mijn vader zit in het eten dat hij geeft.

Advertenties

geschonden

Mijn dorp, waar hartstocht onderdrukt wordt en uitbundigheid een zonde is, speelt een rol van internationale betekenis. De enigen van over de grens waren lange tijd Duitsers, vooral die uit het Rührgebied. Zij kwamen naar Kustdorp voor de  Zimmers mit Frühstuck en het voortkabbelende leven. Zo nu en dan zat er een drugstoerist tussen maar die bleven nooit lang hangen. Vanaf de jaren tachtig, toen ook in Kustdorp bij pensioneigenaren het besef doordrong dat het veel lucratiever was om gastenverblijven de functie van asielzoekerscentra te geven, werd het op straat allengs kleuriger, maar zelden tot nooit leidde dit tot spanningen. Ook daarin hangt het dorp haar vuile was niet buiten.

Wie er van de onderzeese kabels afwisten, is mij tot op heden een raadsel. Nadrukkelijke openheid is hierover naar de Kustdorpers nooit geweest noch gevraagd. Ook zij wsiten nergens van.

Kustdorp is niet langer van de Kustdorpers.

Het voelt als schenden van een maagd, die kabels voor de kust.

 

Garnalen trekken

Mijn vader stierf in het jaar dat het strand van Kustdorp veranderde in een kustlijn waar al mijn herinneringen weggespoeld lijken.  Vanaf de boulevard kun je de zee niet langer zien, of je moet op stelten gaan staan. Het betonnen pad tussen de zandheuvels lijkt niks met het zand te maken willen hebben. De zee ligt verder weg dan ooit. Ik mis de afgebrokkelde stenen trap, de houten loopplanken waarop je naar het strand liep, de planken waarop je sprong wanneer het mulle zand te heet was voor je voeten. Zelfs het zand lijkt anders. Mijn vader kwam al lang niet meer op het strand. Zware shag rokend, tuurde hij met leeftijdsgenoten de zee af. In de weerspiegeling van de golven deden ze elkaar voorspellingen, over het weer en over andere zaken die van belang zijn in een vissersleven. Toen hij zijn beide benen nog had, stak hij die regelmatig in een waadpak, een soort rubberen tuinbroek met laarzen eraan. Hij waadde daarmee door de zee, bij afgaand water. Rond zijn schouders hingen de touwen van zijn garnalennet. Voetje voor voetje trok hij dat net, dat open gehouden werd door een dik houten bord, over de zanderige bodem. Wanneer hij vermoedde dat het net vol zat, trok hij het de kant op. De inhoud kieperde hij op het strand, soms met een vuilniszak eronder maar meestal gewoon in het zand. Ik pikte de garnalen eruit en wierp ze één voor één in de emmer. ‘Uitkijken dat je niet gestoken wordt door de pietermannen’, waarschuwde hij. De pieterman, een klein zilveren visje met een stekel op zijn rug.  Met de krabben had ik medelijden,  die zaten immers voor niks in het net. Ik bracht ze zoveel mogelijk terug naar de zee.

Ik at van de week een haring en moest aan hem denken en aan garnalen trekken.

Pap

Pap, weet je wat voor  geouwehoer we hebben met je voormalige huisbaas, Dunavie… ze willen meer huur dan waar ze feitelijk recht op hebben, vinden wij. Ik mail met ze, gedecideerd, ik maan ze en wijs op hun onbuigzame manier van handelen, ik hekel ze…ze geven niet mee tot nu toe. Pap, weet je naar wie je adelaar is gegaan? … je schaapje staat bij A. en één van je geitjes bij mij, het andere gaven we aan je buurjongetje… Pap, Maarten, je jeugdvriend was ook op je afscheid…de enige van al die vrienden van je… al die viseters, drinkebroers en shagbietsers… Jouw en dus tevens onze familie was er ook…niemand huilde behalve je neef L.  Pap, ik heb en houd je identiteitsbewijs dat je liet maken in 1970, bij beroep staat dat je visser was terwijl je al in de bouw werkte…  Je staat zo prachtig op de foto….als een filmster…. Pap, … soms wil ik keihard die 3 letters het luchtruim in slingeren…., als een oerschreeuw…  Ik heb een brief van het Crematorium ontvangen. Je as moeten ze wettelijk een maand bewaren. Daarna halen we het op. L had een prachtig idee: we doen je as in een doosje en laten dit langs het touw van een vlieger omhoog klimmen…eenmaal boven moet het doosje opengaan, L. verzint daar wel wat op.  Je as komt dan neer in het gebied van de Kop en de Bak, tussen de kamperfoelie en de lelietjes van dalen…. Pap, we hebben met zijn vijven de kist dicht gedaan, je lag er mooi bij…uitgerust en vrediger dan ik je jaren gezien heb. Ik hoorde J. ‘Dag pap…’ zeggen. Ik denk dat hij er zelf van schrok. Van S. heb je een pakje zware shag meegekregen in je borstzak… Pap, we namen afscheid van je zoals we konden, zoals wij vonden dat het paste…

geitenhoeder

Op de vensterbank ligt een half opgerookte peuk, ’t is haast een kunstwerk: strak gedraaid, het mondstuk iets smaller dan de rest, onder het uiteinde van de peuk kleurt de vensterbank bruin, als een soort van aureool. In de onttakelde huiskamer hangt nog onmiskenbaar zijn geur. De broers zijn druk. Het zonnescherm moet er af, de tafels en de stoelen ingeladen, de loodzware adelaar uit zijn achtertuin wordt opgehaald. Ik rommel in zijn spullen, papieren, aanstekers, pennen, notities. Besluitloos.  ‘Ik wou effe condolere…’  klinkt het achter me. Ik draai me om en herken hem meteen. Kwam hij ook al bij mijn vader…! flitst het door me heen. De man wiens hand ik schud, was de jongen die me altijd uitschold voor stroperskind. Hij is het ongetwijfeld vergeten maar ik niet. Nooit. Dag in dag uit riep hij  me na. Uit schaamte vertelde ik het thuis niet. Nu staat hij voor me. Hij ziet er uit als een oude ziekelijke man, eentje die aan dezelfde kwalen lijkt te lijden als mijn vader. Ik knik en laat zijn hand vallen. ‘ Ik zou graag ien van die gaitjes willen hebbe… als andenke an je vaeder… Ik kijk hem aan en sneller dan mijn gedachten antwoord ik: ‘Die zijn al verdeeld… ‘ Het zijn 2 geitjes van kunststof die mijn vader in zijn achtertuin had staan. Misschien als herinnering aan de tijd dat hij de geiten van zijn vader moest bijvoeren. Zijn vader, mijn opa dus, pachtte voor de oorlog een stuk land in duin… `bij de Kop en de Bak’, weet mijn broer te vertellen. Ik heb er nooit bij stilgestaan, tot nu…door de vraag van die inhalige, voormalige treiterkop. Ik sta niet toe dat één van die geitjes in handen komt van hem. Eén geitje geven we aan het buurjongetje omdat hij het niet begrijpt dat de buurman nooit meer terugkomt  en eentje neem ik mee naar huis, voor in de tuin, om voor te zorgen.

Een reis om de wereld

Vanwege herstelwerkzaamheden reed er geen enkele trein op het traject tussen Delft en Den Haag. Daar kwam ik pas achter toen ik net een kaartje gekocht had. Vanaf Delft werden bussen ingezet. Ik zat er drie kwartier in, pakte daarna tram 9 richting Vrederust. Zijn kamer was leeg en zijn bed netjes opgemaakt. De oude was er niet. De dag ervoor opgenomen in het ziekenhuis. De top van zijn lange vinger was zwart en moest er hoognodig af. ‘Nee, niemand had gebeld’, antwoordde ik de dienstdoende verzorgster. De trainingsbroek liet ik achter, daar moest zijn naam worden ingenaaid voordat hij hem zou dragen. Of het zijn maat was, vroeg de verzorgster uit het niets. Ik knikte. Het pakje zware Van Nelle legde ik in de lade van zijn nachtkastje, zonder briefje. Het geld nam ik weer mee. Tram 9 weer terug, daarna de bus, toen de trein, vervolgens de metro en tenslotte de bus. Allemaal signaalwoorden van tijd. Een reis om de wereld. De oude weet van niks.